Monument in het Prinsenpark

voor de slachtoffers van het Apeldoornsche Bosch

 

Locatie: Prinsenpark  Monument nr: 14  Ontwerper: Ralph Prins

Opdrachtgever: Stichting Monument Apeldoornsche Bosch onder auspiciën van de Stichting bevrijding '45

Onthuld op: 23 april 1990 door Prinses Juliana  

Uitvoering: een gebogen wand van kleine mozaïektegels. De achterkant van het monument met z’n vlammen verwijst naar het gruwelijke lot van de joden. De voorkant verwijst  naar de band tussen patiënten en verplegend personeel. In de cirkelrand staan de woorden HET APELDOORNSCHE BOSCH. Daarbinnen ligt de gele jodenster over het zwarte kruis van de verpleegkundigen in de psychiatrie.

Onder de cirkel staat de datum 22 januari 1943 en een citaat uit het gedicht Het carillon (1941) van Ida Gerhardt: ‘Nooit heb ik wat mij werd ontnomen zo bitter bitter liefgehad’.

Herdenkingsdatum: rond 22 januari  

Adoptie: het monument is geadopteerd door de school de Prinsenhof. Bij de herdenkingsplechtigheid dragen leerlingen van de Koninklijke Scholengemeenschap gedichten voor.

 

Het verhaal achter het monument                          Het verhaal achter het monument                    Het verhaal achter het monument

In het Prinsenpark staat een eenvoudige monument. Het is een gebogen wand, bekleed met kleine, kleurige mozaïektegels. Het monument gedenkt de slachtoffers van de joodse psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch. De inrichting was tussen 1909 en 1943 gevestigd aan de Zutphensestraat, waar nu 's Heerenloo is (zie Wandreliëf Groot Schuylenburg).  

Tot januari 1943 hadden de nazi's Het Apeldoornsche Bosch ongemoeid gelaten. Sinds 1 april 1942 woonden en werkten er alleen nog maar joden in de inrichting. Het niet-joodse personeel moest toen worden ontslagen. Het personeelsbestand kwam echter weer ruimschoots op peil, omdat joden vooral uit het westen zich meldden als werknemer. Zo konden ze deportatie ontlopen én nuttig werk doen.

Er waren wel wat onrustbarende signalen, maar die bereikten de werkvloer meestal niet. Op 19 januari 1943 kwam er bedreigend bericht: personeelsleden die nog buiten de inrichting woonden, moesten voortaan binnen de inrichting wonen.  

Het definitieve signaal kwam op woensdag 20 januari 1943. Uit Westerbork arriveerde een groep van ongeveer honderd leden van de Ordedienst. Dat was de kamppolitie, die bestond uit Nederlandse en Duitse joden. Van een Apeldoornse spoorman kwam het bericht dat er op het station een trein van veertig wagons zou worden samengesteld, genoeg om 1500 mensen te transporteren.

Toen begon een gruwelijke nacht: personeelsleden realiseerden zich dat zíj zouden kunnen vluchten. Of waren ze moreel verplicht te blijven? Van de ongeveer 350 personeelsleden vluchtte ongeveer de helft.  Eén verpleger besloot samen met zijn vrouw tot zelfmoord. Waarschijnlijk zijn er ook zo’n tachtig ‘betere’ patiënten gevlucht. De rest van het personeel werkte hard om levensmiddelen- en voedselpakketten klaar te maken. Ervaren verpleegkundigen namen verbandmiddelen, spuiten en injectievloeistoffen onder hun hoede.  

Op 21 januari nam Aus der Fünten, het hoofd van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung, de leiding over van de directeur, dr. Lobstein. De ontruiming begon. Het terrein was omsingeld, net als het Apeldoornse station. De Duitsers sloten de directeur met zijn staf op in z’n kamer. Ook de een deel van het personeel werd gescheiden van de patiënten.

Vrachtauto’s reden voor. Patiënten werden ingeladen en met hoge snelheid naar het station gereden. Doodzieke mensen moesten gedragen worden. Er waren patiënten in een dwangbuis, enkelen liepen naakt het stationsterrein op. De Ordedienst dreef ze in de goederenwagons. De laatste afdeling die ontruimd werd, was het Paedagogium Achisomog (= mijn broeder te hulp) voor zwakzinnige en zwakbegaafde kinderen en kinderen met opvoedingsmoeilijkheden. Om vijf uur in de ochtend van vrijdag 22 januari zaten alle patiënten in de ijskoude goederentrein. De bagage, de levensmiddelen, de medicijnen, alles lag nog in de paviljoens.  

Aus der Fünten sprak in de eetzaal het achtergebleven personeel toe. Hij wilde vijftig vrijwilligers om mee te gaan in de trein. Twintig meldden zich. Aus der Fünten wees er nog dertig aan. Zij werden naar het station gebracht, waar enkelen bij de patiënten in de goederenwagons terechtkwamen. De overigen moesten in een aparte personenwagon stappen.

Om zeven uur in de ochtend vertrok de trein met ongeveer 1300 mensen. Op zondag 24 januari kwamen ze aan in Auschwitz/Birkenau. Bij aankomst hebben zich gruwelijke taferelen afgespeeld, waarover uiteenlopende getuigenissen zijn afgelegd. In ieder geval is er van niemand uit dit transport ooit nog iets vernomen.  

De ongeveer honderd achtergebleven personeelsleden gingen op transport naar Westerbork, tegelijk met zo’n tachtig Apeldoornse joden die kort daarvoor in de inrichting waren ingekwartierd. De meesten van hen werden vrijwel meteen doorgestuurd naar de vernietigingskampen. Lobstein, zijn vrouw en enkele personeelsleden, sommigen met hun gezinnen, moesten nog tot 1 februari op het terrein blijven. Toen gingen ook zij naar Westerbork. Van de personeelsleden die in eerste instantie naar Westerbork werden gedeporteerd, overleefden waarschijnlijk slechts veertien de kampen (het getal is onzeker). Van de groep gevluchte personeelsleden overleefde waarschijnlijk de helft (ongeveer 75) de oorlog.