Op vrijdagmorgen, 10 mei 1940, stond ik op en ging naar
beneden. Het was de dag dat de oorlog begon. Ik zat op de middelbare school. Ik
woonde in Amsterdam en we waren joods. De jodenvervolging begon met kleine
plagerijen. We mochten niet in het park wandelen en niet met de trein reizen. En
we mochten later alleen op bepaalde uren boodschappen doen.
In 1941 werd mijn school gezuiverd van de
joden. Dat betekende
dat wij, joden, naar een aparte school moesten. Een jaar later, ik was toen 16
jaar, kregen alle joodse kinderen vanaf die leeftijd een werkoproep. Eerst
geloofde je nog dat het om een werkkamp ging. Niemand wist dat je in die kampen
vermoord werd.
Daar denk je toch niet aan?
Elke week zaten er minder kinderen in mijn klas. Ze waren
meegenomen door de Duitsers, of ze waren ondergedoken. De angst was enorm groot.
Ik ben ook ondergedoken. Telkens moest ik weer weg, zo heb ik op wel 15 adressen
gezeten.
Ik ben toch opgepakt en kwam in het concentratiekamp Auschwitz
terecht. Hoe dat was, daar kan ik niet over praten. Ik moest daar werken in een
fabriek om sneeuwkettingen te maken. Onze ploeg bestond uit 13 vrouwen, we hielpen elkaar waar mogelijk was en
spraken elkaar moed in. Op een dag hoorden we dat Nederland bevrijd was! Ik geloofde het niet, maar het
was waar. In drie weken ben ik teruggelopen naar Nederland.
Ik had het kamp overleefd.
Maar mijn vader, moeder en zusjes heb ik nooit meer gezien.
Zij zijn vermoord net als zes miljoen andere joden.