"Mijn vader maakte zich erg boos over
Hitler, die vond
dat joden een minder soort mensen waren. Vreselijk vond mijn vader dat. Alle
mensen zijn gelijkwaardig en je mag ze nooit vervolgen om hun afkomst of om wat
ze denken, zei hij. Mijn vader huilde toen de Duitsers ons land binnenvielen.
Onze buurman verzette zich tegen de Duitsers. Op een dag in
1944 werd hij verraden. Duitse soldaten namen hem mee. De andere buurman zat ook
in het verzet. Hij was bang dat ze hem ook zouden oppakken. Hij vroeg ons of hij
bij ons kon onderduiken. Hij verstopte zich in de kelder naast het hondenhok.
Alleen mijn vader en ik wisten het. Ik bracht de buurman telkens eten en leegde
zijn po. Ik was toen negentien jaar oud.
Opeens stonden de Duitsers in de gang. Op hun geweren zaten lange messen.
Daarmee prikten ze in kasten en muren. Ze zochten overal, ook in de kelder. Ook
in het hondenhok staken ze met hun bajonet van links naar rechts. Ze zagen
gelukkig het nachtgedeelte niet; daar had de buurman zich verstopt. Hij heeft
het overleefd".