|
In
de Soerelse bossen bij Vierhouten was in de oorlog een groot kamp
ontstaan om onderduikers te verstoppen. Vanaf april 1943 werden er
hutten gebouwd in de dichte bossen. Op het laatst waren er 9 hutten,
daarin woonden ongeveer 80 onderduikers. Dat waren vooral joden; ook
enkele Amerikaanse en Engelse piloten hebben er een tijd gewoond. Dit
kamp kreeg de naam "Pas Op"- kamp.
Al
deze mensen moesten eten en drinken hebben, ook kleding, kachels, potten
en speelgoed voor de kinderen. Daarvoor zorgden vele mensen. Maar het
waren vooral Opa Bakker en Tante Cor die zeer veel voor de onderduikers
hebben gedaan. Een
tandarts en een dokter kwamen regelmatig in het kamp om zieken te
verzorgen. Ernstig zieken werden in het geheim naar een ziekenhuis
vervoerd.

'Ik moest eens een
onderduikster naar ziekenhuis Salem in Ermelo brengen. De patiënte
moest geopereerd worden. Die rit moest natuurlijk zo onopvallend
mogelijk plaatsvinden. Een ziekenauto in het bos zou direct opvallen.
Helpers brachten de zieke op een brancard vanuit het kamp naar de
Eperweg, daarna snel in de ziekenauto en ik mee als begeleidster. Ik had
een sjaal om mijn hoofd gebonden. ‘k Leek precies op een zuster. In
Ermelo weren we nog gecontroleerd, het ging goed.'
De
hele dag was er werk te doen in het kamp: eten koken, hout hakken, wol
spinnen, studeren, paddestoelen zoeken en bosbessen plukken. Om in
conditie te blijven leefden sommigen zich uit aan de rekstok. ’s
Avonds werden er vaak spelletjes gedaan en beschilderde men plankjes met
bloemen en vogels.

'Er was ook een Rus, een
bijzonder aardige man. Hij kon heel goed houtsnijwerk maken. Met behulp
van een plankje en een aardappelschilmesje wist hij de leukste dingen te
maken. Bij een verjaardag kreeg de jarige vaak een mooi stukje ‘hutvlijt’
van Russische volkskunst. Ook maakten we appelmoes en bakten we
pannenkoeken. Mijn man gaf de jarige een onderbroek. Daar waren ze
bijzonder blij mee.'
Veel
onderduikers hadden spannende momenten beleefd en waren op het nippertje
ontsnapt. Lenie Duyzend, een jodin uit Amsterdam vertelt:
'Toen de
joden werden
weggevoerd ben ik ondergedoken. De eerste nacht sliep ik in een
ondergrondse hut, daarna in een voorraadkast, ik kon mijn benen niet
eens strekken. Er
werd een razzia gehouden en ik vluchtte het korenveld in. Daar bleef ik
een paar dagen. De fietsenmaker bracht me brood. In een vrachtwagen,
tussen de wasmanden, kwam ik bij de Soerelse bossen. ‘k Had geen flauw
idee waar ik terecht zou komen. Het was een prachtige wandeling door het
bos. De paadjes werden steeds smaller. Opeens stond ik voor een hut oog
in oog met andere joden. De eerste nachten sliep ik als een roos. Ik
studeerde ook in het kamp, de kampleiding zorgde voor studieboeken. Opa
Bakker en Tante Cor, die regelmatig op bezoek kwamen, vertelden ons het
nieuws dat ze op Radio
Oranje hoorden. Ongelooflijk wat die mensen voor
ons gedaan hebben. Terwijl veel mensen honger leden, kregen wij dag in,
dag uit een heerlijke maaltijd voorgeschoteld.'
Op
zondag 29 oktober 1944 werd het 'Pas Op'- kamp door twee Duitse soldaten ontdekt. Sommigen zeggen dat ze aan het jagen waren, anderen
beweren dat ze op patrouille waren. Ze vertelden:
'We
hoorden mensen hout hakken en dat vonden we zeer verdacht. We gingen op
zoek en kregen een jongen van ongeveer 15 jaar te pakken, die zei dat
daar in de buurt onderduikers in holen en hutten leefden. We schoten
enkele keren en riepen: 'Kommen Sie heraus!' .Toen besloten we
onze commandant in te lichten.'
Door
het geschiet en geschreeuw konden de onderduikers(op dat moment 87)
vluchten. De meeste overleefden de oorlog. Met handgranaten werden de
hutten kapot gemaakt. Nu staan in de bossen bij Vierhouten enkele
nagebouwde hutten. Zij geven een indruk van wat er zich in de
oorlogsjaren heeft afgespeeld.
|